Door Bas Clercx
Schrijven helpt denken en daarom maakt de onderwijsinspectie zich zorgen over de afnemende schrijfvaardigheid, naast de andere competenties die te maken hebben met het goed uit kunnen drukken van taal en getallen. Dan zal het misschien verrassen dat een van de belangrijkste denkers uit de klassieke oudheid, Sokrates, een bijna legendarische hekel had aan het schrift. Het schrift zou de jeugd bederven, omdat zij te veel zouden vertrouwen op het gemak van letters en te weinig op de noeste arbeid van het memoriseren van bijvoorbeeld alle 24 boeken van de Ilias door Homeros. De ironie wil dat we het denken van Sokrates alleen kunnen volgen, omdat zijn student Plato de lessen van zijn meester op schrift heeft gesteld; in een Grieks dat echt wel leuk is om te lezen. Met deze gedachte moet je maar eens de volgende passage lezen uit het werk de Phaedrus (274c-275b), waarin Sokrates antwoord geeft op zijn gesprekspartner Phaidros:
Goed, ik hoorde dat nabij Naukratis in Egypte een van de oude goden daar was, wiens heilige dier een vogel was, die ze de Ibis noemden. De naam van deze god zou Theuth (Θεύθ = Thoth) zijn. Ik hoorde ook dat deze god als eerst tellen en rekenen, meet- en sterrenkunde heeft uitgevonden, en bovendien triktrakken en dobbelspelletjes, en dus ook het schrift. Toen destijds Thamos farao (wij noemen hem de orakelende god Ammon) van heel Egypte was in de streek van die grote stad in Opper-Egypte, die Grieken Egyptisch Thebe noemen, kwam bij deze farao Theuth aan en wees hem op zijn praktische uitvindingen: bij beweerde dat deze onder alle Egyptenaren uitgedeeld moesten worden. Thamos vroeg welk nut elk van deze dingen had. En terwijl Theuth alles de revue liet passeren, gaf de farao aan wat hem wel en niet beviel: het een wees hij af, het ander prees hij de hemel in. Het zou een te lang verhaal worden om alles te bespreken wat Thamos zou hebben uitgesproken over die uitvindingen, zowel positief als negatief, maar toen ze over het schrift te spreken kwamen, zei Theuth: “Dit, mijn farao, is kennis die de Egyptenaren echt wijzer zal maken en voorzien van een geweldig geheugen. We hebben een medicijn voor het geheugen én de wijsheid uitgevonden!” Maar de farao antwoordde: “Mijn uiterst inventieve Theuth, de een is weliswaar kundig genoeg om nieuwe praktische vindingen ter wereld te brengen, maar een ander kan toch beter oordelen wat voor nadeel en voordeel het voor toekomstige gebruikers kan opleveren. En nu, als vader van het schrift, heb je door goedgezindheid jegens je eigen vinding juist het tegenovergestelde beweerd van wat het eigenlijk kan. Want het schrift zal de geesten van studenten vergeetachtig maken door een gebrek aan geheugentraining, aangezien ze zich zaken moeten herinneren vertrouwend op het schrift, een extern geheugen, gevormd door andermans tekens, en niet binnen zichzelf op basis van een eigen voorstelling. Dus je hebt niet een medicijn voor het geheugen gevonden, maar de herinnering, een geheugensteuntje. Je geeft leerlingen een schijn van wijsheid, maar niet de waarheid. Omdat ze door jouw toedoen veelhoorders geworden zijn, zullen ze zonder onderwijs veelweters lijken te zijn; omdat ze meestal onwetend zijn, zullen ze ook lastig in omgang lijken, omdat ze schijnwijzen zijn en geen wijzen.
Het is geestig dat onder andere dankzij het mooie Grieks van Plato, Sokrates’ leer is overgedragen aan de eeuwen. De auteur van de Phaedrus (Plato dus) laat Sokrates het verhaal vertellen waarin de farao en de god Theuth met elkaar komen te spreken over het schrift. Het verhaal staat in de bredere discussie dat het schrift niet de dialoog bevordert, want je kunt lezend niet in discussie met de auteur, terwijl dat voor Sokrates’ dialectiek wel van wezenlijk belang is om tot kennis te komen. Uit deze passage wil ik de volgende twee zaken uitlichten. Ten eerste moeten we het schrift niet zien als een training van het geheugen, maar als extern geheugen: we kunnen er met andere woorden niet actief mee werken, tenzij we bewust het geschrevene erbij halen. Ten tweede laat Plato’s Sokrates de farao de bewering poneren dat Theuth de slager is die zijn eigen vlees keurt: ‘wij van wc-eend raden wc-eend aan.’ Hoewel het dus ironisch is dat Sokrates zijn eeuwige roem dankzij schrijvers als Plato verdiend heeft, denk ik niet dat we Sokrates nu tot ereboomer moeten verheffen, maar hij heeft denk ik een wezenlijk punt: is de uitvinding eigenlijk wel een probaat middel om het bestaande probleem, namelijk memoriseren en de moeite die het kost, op te lossen? Is het schrift een hulpmiddel om memoriseren te vergemakkelijken? Nee, want het is geëxternaliseerde kennis die alleen beschikbaar is als je weet waar die op papier staat.
Dan ook nog de wc-eend: het lijkt er niet op dat Theuth een bepaald gewin voor ogen heeft bij een grootschalig uitrollen van zijn uitvindingen; hij is immers al een god, dus een volle bankrekening zou hij met een vingerknip moeten kunnen realiseren (hoewel meer menselijke verering nooit weg is). In Sokrates’ Athene liepen allerlei figuren rond die hun kennis voor geldelijk gewin aanboden. Onder andere de sofisten gingen van stad naar stad om hun lessen in de retorica te verkopen en boden deze dikwijls ook nog aan als (een weg naar) kennis en waarheid. Een doorn in het oog van Sokrates, die juist met omstanders een dialoog (de ‘Sokratische’) aanging om via een afpellend proces tot de Idee van een concept probeerde te komen.
Het interessante van deze passage ligt hem in de combinatie van de twee vragen die het antwoord van de farao oproept. Ten eerste gaat het om het nut van de uitvinding: wat brengt deze uitvinding ons eigenlijk, maar ook: wat kost deze ons? Het voordeel van het schrift is dat we nu ideeën extern kunnen lokaliseren en op die manier kennis kunnen delen over grote afstanden, maar het geheugen trainen we er niet mee. Wie is niet geconfronteerd met een waarschuwende docent die zei dat je niet altijd een rekenmachine op zak zou hebben. Guess what, we zijn massaal verslaafd aan onze rekenmachines die ook nog 100 andere dingen kunnen. Maar ondertussen hollen de lees-, schrijf- en rekenvaardigheden van onze kinderen achteruit. Niemand zal nu ontkennen dat telefoons in de klas een ontzettend dom idee waren, maar waarom hebben we dat twintig jaar geleden wel toegestaan? In de toekomst zouden ze moeten werken met hun telefoons en dus moest het onderwijs ze leren omgaan met de telefoons in de klas. Het gevolg was dat leerlingen alleen nog in de stress zaten over het volgende appje van een leerling aan de andere kant van de klas. Nu AI zich in de vorm van LLM’s aandient, zeggen goeroes wederom dat dit alles in het onderwijs gaat veranderen (wat overigens ook de radio, televisie en het internet ook zouden doen), maar nogmaals: wat lost AI op voor het onderwijs en wat verliezen we ermee? Tot nu toe zie ik de AI-onderwijscowboys die vragen niet stellen: alles is haast en FOMO en ja, zeggen ze, de diepere vragen zijn heel belangrijk, maar we mogen nu echt de trein niet missen.
Dan is de opmerking van de farao ook nu relevant: de slager keurt zijn eigen vlees. Natuurlijk wil de slager stinkend vlees verkopen, want daar verdient ie geld mee. Welke baat heeft de uitvinder en degenen die AI zo snel mogelijk willen uitrollen zonder gedegen reflectie in het onderwijs? Als je nu de AI van een groot softwarebedrijf wil gebruiken in je kantoorsoftwarepakket, kost dat je 20 à 30 euro boven op het bedrag dat je maandelijks betaalt per persoon: 1000 docenten in een koepel, 10000 leerlingen; reken maar uit. Natuurlijk willen techbedrijven je laten geloven dat de toekomst AI is en dat leerlingen hopeloos verloren zijn zonder hún kunstmatige intelligentie. Maar ze leren met AI’s alleen het ding te gebruiken en te consumeren, ze maken niets, zoals professor Felienne Hermans bijvoorbeeld in de podcast ‘Made in Europe’ uitlegt. Dit terwijl we juist willen dat ze dingen kunnen, leuke sociale, creatieve mensen worden die zelf de wereld kunnen aanpassen; we leren ze immers ook geen cola drinken. Dat doen ze uit zichzelf wel. Wat een AI kan produceren ziet er misschien magisch uit, maar het is helemaal niet verkeerd dat goddelijke tempo van Theuth even te laten en de weliswaar goddelijke farao in de menselijke maat te volgen.
Slot:
Wil je meer weten van Plato’s mythen, waarin de auteur deze passage uit de Phaedrus koppelen aan het internet als uitvinding, dan is het volgende boek een aanrader:
Berg R.M. van den & Koning H.H. (2022), De mythen van Plato: verhalen voor alle tijden. Eindhoven: Damon. Zij hebben een eigen vertaling van de passage uit de Phaedrus. Deze vond ik pas na mijn eigen vertaalpoging. Leg de twee voor je plezier eens naast elkaar; dan zie je hoe dezelfde Griekse tekst toch wel heel verschillend vertaald kan worden.
Overigens ben ik enorm fan van professor Felienne Hermans. Volg haar als je meer wil over digitale geletterdheid op school.

Miniatuurstèle van de vizier Paser voor een Thoth gekroond door de maan, tussen 1275 en 1213 v.Chr. (19e dynastie); Egyptische collectie van het Louvre te Parijs.
Deze website is onderdeel van de Vereniging Classici Nederland en gerealiseerd door AdCon Online Marketing.
'Kunstmatige intelligentie ' has no comments
Geef als eerste commentaar hierop!