Roswitha: eigen vreemd

Het leven en werk van Roswitha van Gandersheim is op een bijzondere manier met de klassieken verbonden. Roswitha is in veel categorieën de eerste: de eerste Latijnse toneelschrijver na de oudheid, de eerste vrouwelijke historica en eerste dichteres van Duitsland, om een aantal dingen te noemen. Door de kennis van het latijn en de klassieken kunnen wij ook met deze bijzondere schrijfster verbonden blijven.

De samenleving van Roswitha van Gandersheim, die ook wel Hroswitha wordt genoemd was nauw verbonden met de klassieken. Dat was niet vanzelfsprekend: Zij leefde in het Duitsland van de 10e eeuw, in de Abdij van Gandersheim (Nedersaksen) als kanunnikes. Dat wil zeggen dat ze een gemeenschappelijk, ongehuwd en op het Christelijk geloof gericht leven leidde, maar geen afstand wilde doen van haar bezittingen. Zelfs al had het Romeinse Rijk in 935, toen Roswitha werd geboren, nog bestaan, dan nog had Gandesheim ver buiten de grenzen legen. Toch las en schreef Roswitha in het Latijn.

Roswitha was een getalenteerd schrijfster, die geschiedenissen schreef van het toenmalige Duitse koningshuis (de Ottoonse dynastie) en haar Abdij. Ook correspondeerde ze met andere geleerden in Duitsland en Europa, schreef ze biografieën van Christelijke heiligen en gedichten. Het best bekend is ze om haar toneelstukken.

Het Noord-Duitsland in de 10e eeuw was zo verbonden met de klassieke oudheid, dat de komedies van de Afrikaanse Terentius (gestorven in 159 v. Chr) daar gretig aftrek vonden. Terentius schreef toneelstukken die ongeveer vergelijkbaar zijn met komische, soms slapstick-achtige, soapseries. Roswitha moest niets hebben van de platte manier waarop Terentius vrouwen afbeeldde in zijn toneelstukken, en had bovendien als kanunnikes moeite met het onchristelijke karakter van de komedies. Tegelijkertijd bewonderde ze net als vele anderen de vlotte en heldere stijl van de komediedichter. In wezen is de houding van Roswitha naar de klassieken best vergelijkbaar met die van ons: hoewel ze bewondering heeft voor sommige aspecten, heeft ze ook de nodige morele bezwaren.

Haar oplossing: nieuwe toneelstukken schrijven, in de stijl van Terentius, maar dan nog beter. Al blozend en fronsend,[1] spitte ze de werken van Terentius door. In zijn zo populaire stijl schreef ze zes nieuwe toneelstukken die wel het goede voorbeeld moesten geven.  Ze laten een harde wereld zien, waarin het leven voor vrouwen lang niet altijd gemakkelijk was. In haar meest komische toneelstuk Dulcitius wordt dat als volgt duidelijk. Hieronder volgt tot slot een stukje tekst.

De grote kennis van Terentius en het vermogen zijn stijl na te bootsen laten zien dat Roswitha sterk met de klassieken verbonden is. Tegelijkertijd wordt duidelijk dat verbondenheid forse kritiek niet in de weg hoeft te staan. Ook vandaag de dag zijn de klassieken vaak een bron van verwondering en (wetenschappelijke) aandacht. Ook nu is het nodig om soms kritiek te uiten. Om zowel te bewonderen, als te bekritiseren, kunnen we aan Roswitha een voorbeeld nemen. Zij wist hoe de klassieken haar samenleving verbonden. Juist door die verbondenheid kon ze ook misstanden aan de kaak stellen.

Twee passage’s uit Dulcitius van Roswitha:

Scene 4

Agape, Irena en Chionia zijn door de verwaande Dulcitius opgesloten in de dienarenvertrekken bij de keuken. Om zich aan de vrouwen te vergrijpen, komt Dulcitius ’s nachts de keuken binnen. Verstopt in het vertrek naast de keuken kijken de vrouwen angstvallig toe.

Agape: Wie maakt daar lawaai voor de deur?

Irena: Het is die armzalige Dulcitius die binnenkomt.

Chionia: Hemel sta ons bij!

Agape: Amen.

Chionia: Wat wil hij toch met het gerammel van potten, ketels en pannen?

Irena: Ik zal eens kijken…. Kom eens snel! Kijk door de kieren van de deur!

Irena loert door het gat van de deur, Chionia en Agape staan er naast.

Agape: Wat is er aan de hand?

Irena: Kijk die sukkel eens; hij is zijn verstand kwijt. Hij denkt zeker dat hij ons aan het omhelzen is.

Agape: En wat doet hij nu?

Irena: Nu vleit hij de potten zachtjes in zijn schoot, nu omhelst hij de pannen en ketels, en overstelpt ze met tedere kusjes.

Chionia: Wat belachelijk. (…)

Scene 7

Door het knuffelen van de pannen komt Dulcinius onder het roet te zitten. Zonder daar erg in de hebben klopt hij verfomfaaid op de poorten van zijn paleis.

Dulcitius: Poortwachters, Laat me het paleis in gaan! Ik heb een geheim aan de keizer te vertellen.

Deurwachten: Wie is dat vieze en verachtelijke gedrocht?  Gehuld in zwarte en gescheurde lompen? We zouden hem een paar klappen moeten verkopen! We zouden hem van de trappen moeten gooien!  Hier mag hij niet zo maar naar binnen!

De deurwachters lopen dreigend op Dulcitius af, die achteruit struikelt.

Dulcitius: O nee, o nee, wat gebeurt er nu? Heb ik dan niet mijn beste kleren aan? Zie ik er dan niet schitterend uit van top tot teen?

Dulcitius wordt weggejaagd en moet besmeurd en onthutst het hele verhaal bij zijn vrouw opbiechten.

Zover bekend zijn er geen volledige Nederlandse vertalingen van de werken van Roswitha gemaakt. De redactie verwelkomt daarom betere vertalingen dan deze hier. Quod potui, feci; faciant meliora potentes.


[1] ‘Unde ego non recusavi illum imitari (…) Hoc tamen facit non raro verecundari, gravique rubore perfundi (…)’
Opera Dramatica, Praefatio


'Roswitha: eigen vreemd' has no comments

Be the first to comment this post!

Would you like to share your thoughts?

Your email address will not be published.

Deze website is onderdeel van de Vereniging Classici Nederland en gerealiseerd door X11 Creatie.